elektra

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • elek·tra
Woordherkomst en -opbouw

verkortingvan elektriciteit

enkelvoud meervoud
naamwoord elektra
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

elektra o

  1. de electriciteitsaansluitingen van en in een huis of gebouw
    • Het elektra van het huis werd door een erkend installateur aangelegd. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.

Meer informatie