elektra

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • elek·tra
Woordherkomst en -opbouw

verkortingvan elektriciteit

enkelvoud meervoud
naamwoord elektra
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

elektra o

  1. de elektriciteitsaansluitingen van en in een huis of ander gebouw
    • Het elektra van het huis werd door een erkend installateur aangelegd. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be