Naar inhoud springen

dop

Uit WikiWoordenboek
[2] Een flesje met een dop.
[2] Een balpen met een dop.
[5] Een dop.
  • dop
  • In de betekenis van ‘schaal’ voor het eerst aangetroffen in 1287.[1]
  • erfwoord: Middelnederlands doppe ‘dop, schil, pot; punt, knop, tol’, ontwikkeld uit West-Germaans *duppa- ‘wig, pin’, misschien uit vroeger *dubna-, misschien afleiding bij Indo-Europees *dʰubʰ- ‘wig, slaan’.[2] Evenzo Nederduits Dopp ‘eierdop; napje; vingertop, deksel; tol’ en Duits Topf ‘pot, pan’.
enkelvoud meervoud
naamwoord dop doppen
verkleinwoord dopje dopjes

dedopm

  1. een stevig omhulsel, ongeveer in de vorm van een halve bol
    • Om een walnoot te eten, moet je eerst de dop kraken. 
  2. kapje ter afsluiting van iets
    • Doe even de dop op die fles! 
     Maar Quick pakte de gin van een tafel in de hoek, draaide de dop los en schonk twee glazen in.[3]
     De fles was gelukkig groot genoeg en uiteindelijk kon ik met een zucht van verlichting de dop erop draaien.[4]
  3. (informeel) oogleden
    • Kijk uit je doppen! 
  4. (biologie) eierschaal
    • Beter een half ei dan een lege dop. 
  5. (gereedschap) onderdeel van een dopsleutel dat rond een moer of boutkop sluit
    • In de auto ligt een kruisleutel met vier doppen. 
vervoeging van
doppen

dop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doppen
    • Ik dop. 
  2. gebiedende wijs van doppen
    • Dop! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doppen
    • Dop je? 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]

dop o

  1. doopsel
dops enkelvoud meervoud
  onbepaald bepaald onbepaald bepaald
  nominatief     dop     dopet     dop     dopen  
  genitief     dops     dopets     dops     dopens