dop

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[2] Een flesje met een dop.
[2] Een balpen met een dop.
[5] Een dop.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dop
enkelvoud meervoud
naamwoord dop doppen
verkleinwoord dopje dopjes

Zelfstandig naamwoord

dop m

  1. een stevig omhulsel, ongeveer in de vorm van een halve bol
    Om een walnoot te eten, moet je eerst de dop kraken.
  2. kapje ter afsluiting van iets
    Doe even de dop op die fles!
  3. (volkstaal) oogleden
    Kijk uit je doppen!
  4. (biologie) eierschaal
    Beter een half ei dan een lege dop.
  5. (gereedschap) onderdeel van een dopsleutel dat rond een moer of boutkop sluit
    In de auto ligt een kruisleutel met vier doppen.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
doppen

dop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doppen
    Ik dop.
  2. gebiedende wijs van doppen
    Dop!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doppen
    Dop je?


Zweeds

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

dop o

  1. doopsel
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   dop     dopet     dop     dopen  
genitief   dops     dopets     dops     dopens