notendop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Notendop van een walnoot

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • no·ten·dop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord notendop notendoppen
verkleinwoord notendopje notendopjes

Zelfstandig naamwoord

notendop m

  1. beknopt
    • Hij vertelde in een notendop wat er de afgelopen 30 jaar was gebeurd.  
  2. klein schip
    • Hij ging met een notendopje op zee varen.  
  3. schil van een noot
    • Met een notenkraker haal je de notendop van de noot zelf af.  

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.