don
Uiterlijk
- don
- Leenwoord uit het Spaans of Italiaans, in de betekenis van ‘heer, eretitel’ voor het eerst aangetroffen in 1577 [1]
- [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | don | dons |
| verkleinwoord | - | - |
- een Spaanse, Portugese, Braziliaanse en Italiaanse betiteling, afgeleid van het Latijnse dominus
- ▸ Als we straks allebei in rechtszaken verwikkeld zijn, wat blijft er dan nog van ons over? Ooit waren we een succesvol stel, nu lijken we twee Don Quichotes vechtend tegen demonen uit het verleden.[5]
- ▸ 'Maar een man zou nooit zijn broek naar beneden doen om het bewijs te leveren.' 'Toch heeft don Alfonso het nooit ontkend.' 'Jezus, Teresa.[6]
- Het woord don staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "don" herkend door:
| 68 % | van de Nederlanders; |
| 49 % | van de Vlamingen.[7] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "don" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ don op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
- ↑ Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
- IPA: /doːn/
- Afgeleid van het Proto-Germaanse *dōną
don
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| don | le don | dons | les dons |
don m
- ↑ don (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.
don
don
- IPA: /dɔn/
- don
- Leenwoord uit het Spaans en Italiaans
- don; een adellijke titel en een formele manier om een man aan te spreken in Spanje
- don; een formele manier om een man aan te spreken in Italië
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| nominatief | don | donové | |
| genitief | dona | donů | |
| datief | korte vorm | donu | donům |
| lange vorm | donovi | ||
| accusatief | dona | dony | |
| vocatief | done | donové | |
| locatief | korte vorm | donu | donech |
| lange vorm | donovi | ||
| instrumentalis | donem | dony | |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
don
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 3
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 68 %
- Prevalentie Vlaanderen 49 %
- Woorden in het Angelsaksisch
- Woorden in het Angelsaksisch met IPA-weergave
- Werkwoord in het Angelsaksisch
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 3
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Frans
- Woorden in het Middelengels
- Werkwoord in het Middelengels
- Woorden in het Oudsaksisch
- Werkwoord in het Oudsaksisch
- Woorden in het Tsjechisch
- Woorden in het Tsjechisch met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch
- Mannelijk zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch
- Bezield mannelijk zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch
- Woorden in het Turks
- Zelfstandig naamwoord in het Turks