Naar inhoud springen

don

Uit WikiWoordenboek
  • don
  • Leenwoord uit het Spaans of Italiaans, in de betekenis van ‘heer, eretitel’ voor het eerst aangetroffen in 1577 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord don dons
verkleinwoord - -

dedonm [3] [4]

  1. een Spaanse, Portugese, Braziliaanse en Italiaanse betiteling, afgeleid van het Latijnse dominus
     Als we straks allebei in rechtszaken verwikkeld zijn, wat blijft er dan nog van ons over? Ooit waren we een succesvol stel, nu lijken we twee Don Quichotes vechtend tegen demonen uit het verleden.[5]
     'Maar een man zou nooit zijn broek naar beneden doen om het bewijs te leveren.' 'Toch heeft don Alfonso het nooit ontkend.' 'Jezus, Teresa.[6]
68 %van de Nederlanders;
49 %van de Vlamingen.[7]
  • Afgeleid van het Proto-Germaanse *dōną

don

  1. doen
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  don     le don     dons     les dons  

don m

  1. aanbod, geschenk, gave


don

  1. doen

don

  1. doen
  • don
  • Leenwoord uit het Spaans en Italiaans

don mbezield

  1. don; een adellijke titel en een formele manier om een man aan te spreken in Spanje
  2. don; een formele manier om een man aan te spreken in Italië



don

  1. vorst