dip

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dip
1 enkelvoud meervoud
naamwoord dip dips
verkleinwoord dipje dipjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord dip dippen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dip

  1. m: tijdelijke, slechtere emotionele staat
    Hij zit in een dip.
  2. v/m: dipsaus
    Geef je me de dip even?
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
dippen

dip

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dippen
    Ik dip.
  2. gebiedende wijs van dippen
    Dip!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dippen
    Dip je?