dipper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
[2] Een dipper

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dip·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dipper dippers
verkleinwoord dippertje dippertjes

Zelfstandig naamwoord

dipper m

  1. iets of iemand die dipt
  2. (elektronica) een elektronisch testapparaat waarmee o.a. de resonantiefrequentie van een antenne of resonantiekring kan worden bepaald
    • De aflezing op de dipper zal bij de resonantiefrequentie van de antenne even dippen. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid


Engels

[3] Dipper
[4] Dipper
Uitspraak
enkelvoud meervoud
dipper dippers

Zelfstandig naamwoord

dipper

  1. dipper, iets of iemand die dipt
  2. zakkenroller
  3. (vogels) waterspreeuw
  4. (gereedschap) opscheplepel, pollepel
  5. (elektronica) dipper, dipmeter, grid dip oscillator
Verwante begrippen