zuiplap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zuip·lap
enkelvoud meervoud
naamwoord zuiplap zuiplappen
verkleinwoord zuiplapje zuiplapjes

Zelfstandig naamwoord

zuiplap m

  1. (pejoratief) iemand die voortdurend dronken is
    • Hoe ze het toch uithoudt met die zuiplap is mij een raadsel. 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.