Naar inhoud springen

dalen

Uit WikiWoordenboek
  • da·len
  • In de betekenis van ‘omlaag gaan’ voor het eerst aangetroffen in 1285 [1]
  • [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dalen
daalde
gedaald
zwak -d volledig

dalen

  1. ergatief naar beneden gaan
     Na anderhalf uur voornamelijk vooraan te hebben gelopen, kom ik langzamerhand in wat wij wandelaars een wandelaarstrance noemen: ik heb de juiste cadans gevonden en het lopen, klimmen en dalen gaat achteloos en gedachteloos.[4]
     Chantal ademde een paar maal diep in door haar neus en blies krachtig door haar mond uit. Terwijl ze dit deed, daalden haar mondhoeken en wenkbrauwen.[5]
  2. ergatief minder waard worden

dedalenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dal
     Op hun tocht langs diepe dalen werden zij door boordcamera's gefilmd, waarbij vooral hun ontzette uitingen van agonie voor de kijkers thuis hilarisch overkwamen.[4]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]


enkelvoud meervoud
 dalen   dalennau 
 dalenni 
 dail 

dalen v

  1. (plantkunde) blad
  2. (teken- en schrijfmateriaal) blad, vel