dippen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
1. iets even in een vloeistof dopen
4. bepaalde krachtoefening voor de bovenarmen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dip·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘eventjes indopen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1829 [1]

Zelfstandig naamwoord

dippen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dip
Verwante begrippen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dippen
dipte
gedipt
zwak -t volledig

Werkwoord

dippen

  1. overgankelijk iets even in een vloeistof dopen
    • Een chip in de dipsaus dippen. 
  2. inergatief (psychologie) tijdelijk in een negatieve stemming verkeren
    • Nu de verkering uit is zal zij wel dippen. 
  3. ergatief (wiskunde), (elektronica) een kortdurende verlaging van een (meet-) waarde
    • Bij het geleidelijk opvoeren van de frequentie zal de stroommeter bij de resonantiefrequentie even dippen. 
  4. inergatief (sport) bepaalde krachtoefening voor de bovenarmen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen