zinken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zin·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van zink met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zinken
/zɪŋkə(n)/
zonk
/zɔŋk/
gezonken
/ɣəzɔŋkə(n)/
klasse 3 volledig

Werkwoord

zinken

  1. ergatief in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
    • Het schip is nog niet gezonken, maar dat staat wel te gebeuren. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen zinken

Bijvoeglijk naamwoord

zinken

  1. van zink vervaardigd
    • De Tweede Wereldoorlog zag in Nederland de komst van zinken muntstukken. 

Zelfstandig naamwoord

zinken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zink

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie