afdalen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·da·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afdalen
daalde af
afgedaald
zwak -d volledig

Werkwoord

afdalen

  1. ergatief naar een lagere hoogte gaan
    • Het vliegtuig daalde af zodat het kon landen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.