controleren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·tro·le·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
controleren
controleerde
gecontroleerd
zwak -d volledig

Werkwoord

controleren

  1. overgankelijk inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
    • als gevolg daarvan was het nodig om te controleren op stabiliteit en betrouwbaarheid. 
  2. overgankelijk beheersen, overheersen
    • het experiment waarbij mensen met hun gedachten computers controleren is niet het eerste in zijn soort, rapporteert Wired 
    • Ajax controleerde in de eerste helft de wedstrijd volkomen, maar in de tweede helft was de tegenstander sterker. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen