beheersen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·heer·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beheersen
beheerste
beheerst
zwak -t volledig

Werkwoord

beheersen

  1. overgankelijk meester zijn over, het gezag uitoefenen over
    • Hij weet zijn gevoelens heel goed te beheersen. 
  2. overgankelijk volledig verstaan
    • De student beheerst de leerstof. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.