Naar inhoud springen

check

Uit WikiWoordenboek
  • check
  • van het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord check checks
verkleinwoord checkje checkjes

decheckm

  1. een controlerende actie
    • Doe voor de zekerheid nog een check met recente antivirussoftware. 
vervoeging van
checken

check

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van checken
    • Ik check. 
  2. gebiedende wijs van checken
    • Check! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van checken
    • Check je? 
     Maar ik dacht ik check toch even bij jou.[1]
     Ik check mijn telefoon en zie dat ik nog drie kwartier heb voordat ik aan het ontbijt word verwacht.[2]
     200 Ik analyseer de stapels op mijn bed en check opnieuw de ultieme Camino-paklijst: 'De regel voor de bagage is dat je maximaal 10 procent van je lichaamsgewicht draagt'.[3]
96 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[4]
  1. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  2. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  3. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
enkelvoud meervoud
check checks

check

  1. check, controle, keuring
  2. inspectie
  3. onderzoek
  4. (schaak)  schaak zn  [1] (stand op het schaakbord)
    «The king is in check
    De koning staat schaak.
  5. (financieel), (economie), (Amerikaans Engels) cheque
  6. markering
  7. kleine spleet of kier
vervoeging
onbepaalde wijs to  check 
he/she/it  checks 
verleden tijd  checked 
voltooid
deelwoord
 checked 
onvoltooid
deelwoord
 checking 
gebiedende wijs  check 

check

  1. overgankelijk checken, controleren
  2. overgankelijk inspecteren
  3. overgankelijk aanvinken, aankruisen
  4. overgankelijk afvinken