check

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • check
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord check checks
verkleinwoord checkje checkjes

Zelfstandig naamwoord

check m

  1. een controlerende actie
    • Doe voor de zekerheid nog een check met recente antivirussoftware. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
checken

check

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van checken
    • Ik check. 
  2. gebiedende wijs van checken
    • Check! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van checken
    • Check je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.