inspecteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
inspecteren geïnspecteerd
inspectie
Uitspraak
Woordafbreking
  • in·spec·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inspecteren
inspecteerde
geïnspecteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

inspecteren [2]

  1. overgankelijk grondig en nauwkeurig bekijken
    • De monteur inspecteerde mijn auto, maar hij kon het gebrek niet vinden. 
    • Hij inspecteerde de inhoud. En toen hij niets kon ontdekken dan het voedsel waarvan Nemo had gesproken gaf hij de tas met een teleurgesteld gezicht aan Nemo terug. [3] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 123