inspecteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
inspecteren geïnspecteerd
inspectie
Uitspraak
Woordafbreking
  • in·spec·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inspecteren
inspecteerde
geïnspecteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

inspecteren

  1. overgankelijk grondig en nauwkeurig bekijken
    • De monteur inspecteerde mijn auto, maar hij kon het gebrek niet vinden. 
    inspecteren bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen