overheersen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
overheersen overheersend
overheersing overheerst


Woordafbreking
  • over·heer·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overheersen
overheerste
overheerst
zwak -t volledig

Werkwoord

overheersen

  1. overgankelijk de macht uitoefenen over een ander volk
    • Spanje is zeven eeuwen overheerst door de Moren. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.