checken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • chec·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘controleren’ voor het eerst aangetroffen in 1950 [1]
  • Van het Engelse to check.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
checken
checkte
gecheckt
zwak -t volledig

Werkwoord

checken

  1. overgankelijk controleren, nakijken
    • Check jij even of de post er al is? 
     De zon was nog niet op en met mijn hoofdlamp checkte ik nog een laatste keer al mijn spullen om te zorgen dat ik niets zou vergeten.[2]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen