checken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • chec·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘controleren’ voor het eerst aangetroffen in 1950 [1]
  • Van het Engelse to check.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
checken
checkte
gecheckt
zwak -t volledig

Werkwoord

checken

  1. overgankelijk controleren, nakijken
    • Check jij even of de post er al is? 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen