controleerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·tro·leer·de

Werkwoord

vervoeging van
controleren

controleerde

  1. enkelvoud verleden tijd van controleren
    • Ik controleerde. 
    • Jij controleerde. 
    • Hij, zij, het controleerde.