adder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ad·der
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘slang’ voor het eerst aangetroffen in 1340 [1]
  • uit het Middelnederlands [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord adder adders
adderen
verkleinwoord addertje addertjes

Zelfstandig naamwoord

adder v

  1. (reptielen) een giftige slang uit de familie adders Viperidae op Wikispecies
    • De adder is zeldzaam in Nederland. 
     Als ze ons in deze staat zouden zien, dan schaamden ze zich vast en zeker dood. ’Jeroen reageerde als door een adder gebeten.[3]
  2. (scheldwoord), (figuurlijk) een gevaarlijk en onbetrouwbaar persoon
    • Pas op voor die adder! 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • een addertje onder het gras
een verborgen gevaar of moeilijkheid.
  • een adder aan zijn borst koesteren
iemand helpen of van iemand houden die eigenlijk een vijand is
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen