hardloper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hard·lo·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hardloper hardlopers
verkleinwoord hardlopertje hardlopertjes

Zelfstandig naamwoord

hardloper m

  1. een mannelijke beoefenaar van de hardloopsport
    • Deze hardloper wist de zilveren medaille te behalen. 
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Hardlopers zijn doodlopers.

  • Wie te snel begint, heeft een grote kans dat hij het niet tot het einde toe kan volhouden.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen