grote

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gro·te

Bijvoeglijk naamwoord

grote

  1. verbogen vorm van de stellende trap van groot
enkelvoud meervoud
naamwoord grote groten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

grote m

  1. iemand die groot is
Gelijkklinkende woorden
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /ˈɣroːtɐ/ (Etsbergs)
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
grote
groodje
gegroodj
zwak volledig

Werkwoord

grote

  1. ontdekken