cis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Notatie een "cis"

Nederlands

Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Cis
Uitspraak
Woordafbreking
  • cis
enkelvoud meervoud
naamwoord cis cissen
verkleinwoord cisje cisjes

Zelfstandig naamwoord

cis v/m

  1. (muziek) een met een halve toon verhoogde toon "c"
    • De toon “cis” klinkt in de getempereerde stemming, gelijk aan de toon “des”. 
  2. (muziek) de grondtoon (tonica) van de “cis-mineurtoonladder”, tevens een korte aanduiding van die toonladder
    • Op de notenbalk van een sonate in cis, staan vier kruisen als voortekens. 
  3. (muziek) de grondtoon van het “cis-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonladder op die toon
    • De drie tonen van het cis-mineurakkoord (symbool: C#m) in grondligging, zijn: cis - e - gis. 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen cis
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

cis

  1. (scheikunde) niet aan gene, maar aan deze zijde van een dubbele binding of centraal atoom
    • In natuurlijke onverzadigde vetzuren zijn alle dubbele bindingen cis. 
Antoniemen

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders
35 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • cis

Zelfstandig naamwoord

cis o

  1. (muziek) de toon ”cis”
  2. (muziek) cis: korte aanduiding van de toonaard “cis-mineur
    «Eine Sonate in cis
    Een sonate in cis kleine terts.
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen


Latijn

Voorzetsel

cĭs + accusatief

  1. aan deze kant van
    «Cis Padum.»
    Aan deze kant van de Po.
Synoniemen