bijl

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een bijl.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bijl
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘werktuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bijl bijlen
verkleinwoord bijltje bijltjes

Zelfstandig naamwoord

bijl v/m

  1. een hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt en gewoonlijk met twee handen gehanteerd wordt
    • We gebruiken altijd een bijl bij het doorhakken van de blokken hout. 
  2. een haktuig in het algemeen
    • De slager gebruikt een bijltje om de botten door te hakken. 
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  1. met de botte bijl: een probleem niet al voorzichtig aanpakken
    • Nadat de eindeloze onderhandelingen mislukt waren, loste de dominante bestuurder de problemen op met de botte bijl. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Er met de grove (brede) bijl in hakken
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen