bakeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bakeren
bakerde
gebakerd
zwak -d volledig

Werkwoord

bakeren [2] [3]

  1. overgankelijk het strak inwikkelen van een baby in een deken of lappen
    • Zuigelingen werden vroeger gebakerd en de gewoonte begint weer in zwang te komen. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Noors

Woordafbreking
  • ba·ke·ren

Zelfstandig naamwoord

bakeren,

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van baker