geestig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gees·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘gevat’ voor het eerst aangetroffen in 1831 [1]
  • afgeleid van geest met het achtervoegsel -ig [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen geestig geestiger geestigst
verbogen geestige geestigere geestigste
partitief geestigs geestigers -

Bijvoeglijk naamwoord

geestig [3]

  1. op een spitse manier grappig, humoristisch, mogelijk wat scherp en/of ironisch
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen