genoeglijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·noeg·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen genoeglijk genoeglijker genoeglijkst
verbogen genoeglijke genoeglijkere genoeglijkste
partitief genoeglijks genoeglijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

genoeglijk

  1. waarbij men plezier beleeft
    • Wij hebben een genoeglijke middag doorgebracht met onze kleinkinderen. 
Vertalingen

Bijwoord

genoeglijk

  1. op genoeglijke wijze
    • Hij zat genoeglijk een kopje thee te drinken. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.