aanzetsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·zet·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanzetsel aanzetsels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aanzetsel o [1]

  1. verhitte etensresten die aan de wand van een pan zijn gaan koeken
    • Vul de lege pan met anderhalve liter water. Breng het aan de kook, roer het aanzetsel los. Doe de inhoud van vier of vijf zakjes rundvleesjus in het water. Laat met een garde roerend aan de kook komen en dik worden. Giet de jus over de ballen. Stoof de ballen verder gaar. [2] 
Synoniemen


Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.


Verwijzingen