zout
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zout
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zout | zouten |
| verkleinwoord | zoutje | zoutjes |
zout o
- alledaagse naam voor keukenzout bedoeld (natriumchloride).
- Kunt u het zout even doorgeven?
- (scheikunde) een verbinding die bestaat uit een metaal en een zuurrest.
- Salmiak is een zout van ammonia en zoutzuur.
- één van de vier smaken
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1.
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | zout | zouter | zoutst |
| verbogen | zoute | zoutere | zoutste |
Bijvoeglijk naamwoord
zout
- zout bevattend of zout smakend.
Vertalingen
1.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.