zout

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zout

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord zout zouten
verkleinwoord zoutje zoutjes

zout o

  1. alledaagse naam voor keukenzout bedoeld (natriumchloride).
    Kunt u het zout even doorgeven?
  2. (scheikunde) een verbinding die bestaat uit een metaal en een zuurrest.
    Salmiak is een zout van ammonia en zoutzuur.
  3. één van de vier smaken
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zout zouter zoutst
verbogen zoute zoutere zoutste

Bijvoeglijk naamwoord

zout

  1. zout bevattend of zout smakend.
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen