bitter
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bit·ter
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | bitter | bitterder | bitterst |
| verbogen | bittere | bitterdere | bitterste |
Bijvoeglijk naamwoord
bitter
- ter omschrijving van een vaak als onaangenaam ervaren smaak
- Dat was een vieze, bittere drank.
- zwaar te verduren
- In dat land is er nog steeds bittere armoede.
- van teleurstelling blijk gevend
- Hij sprak mij aan met een bittere toon.
Vertalingen
1. ter omschrijving van een vaak als onaangenaam ervaren smaak
| 1 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | bitter | bitters |
| verkleinwoord | bittertje | bittertjes |
Zelfstandig naamwoord
| 2 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | bitter | - |
| verkleinwoord | - | - |
bitter
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bitteren |
bitter
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bitteren
- Ik bitter.
- gebiedende wijs van bitteren
- Bitter!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bitteren
- Bitter je?
Duits
Uitspraak
- IPA: /ˈbɪtɐ/
Woordafbreking
- bit·ter
| stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|
| bitter |
bitterer |
am bittersten |
| alle verbuigingsvormen | ||
Bijvoeglijk naamwoord
bitter
Engels
Uitspraak
| stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|
| bitter | more bitter | most bitter |
Bijvoeglijk naamwoord
bitter