brak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Brakken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brak
enkelvoud meervoud
naamwoord brak brakken
verkleinwoord brakje brakjes

Zelfstandig naamwoord

brak m

  1. een jachthond die gebruikt wordt voor de jacht op lopend wild
    Er zijn verschillende hondenrassen die als brakken gebruikt worden.
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen brak brakker brakst
verbogen brakke brakkere brakste

Bijvoeglijk naamwoord

brak

  1. met een zoutgehalte dat tussen zout en zoet in ligt
    Die sloot bestaat uit brak water.
  2. braak liggend
    De brakke grond kon worden gebruikt om huizen op te bouwen.
  3. (informeel) onprettig voelend, flauw, met een kater
    Ik heb gisteren teveel gedronken en voel me nu brak.

Werkwoord

vervoeging van
breken

brak

  1. enkelvoud verleden tijd van breken
    Ik brak.
    Jij brak.
    Hij, zij, het brak.