net

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • net

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord net netten
verkleinwoord netje netjes

net o

  1. een geheel van fijne draden.
    De vissers waren hun netten aan het boeten.
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen net netter netst
verbogen nette nettere netste

Bijvoeglijk naamwoord

net

  1. proper, rein, schoon, ordelijk.
    Zijn kamer maakte een nette indruk.
Vertalingen

Bijwoord

net

  1. kort geleden, zojuist.
    De krant van gisteren? Die heb ik net weggegooid.
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
net nette

Zelfstandig naamwoord

net

  1. net
    «Vanaf November tot Mei patrolleer die klub ook die nette wat bedoel is om baaiers te beskerm teen gevaarlike jellievisse.»
    Vanaf november tot mei patrouilleert de club ook de netten die bedoeld zijn om de badgasten te beschermen tegen gevaarlijke kwallen.

Bijwoord

net

  1. slechts, alleen
    «Net 'n smal strepie land verbind die middestad met die strandoorde in die suide.»
    Slechts een smalle strook land verbindt de binnenstad met de badplaatsen in het zuiden.


Engels

enkelvoud meervoud
net nets

Zelfstandig naamwoord

net

  1. net
    «The nets were damaged and needed repair.»
    De netten waren beschadigd en moesten hersteld worden.
stellend vergrotend overtreffend
net - -

Bijvoeglijk naamwoord

net

  1. netto
    «His net income was not very high.»
    Zijn netto-inkomen was niet zo hoog.
Teruggeplaatst van "http://nl.wiktionary.org/wiki/net"
Persoonlijke instellingen