schoon

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schoon
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen schoon schoner schoonst
verbogen schone schonere schoonste

Bijvoeglijk naamwoord

schoon

  1. mooi (vooral in Vlaanderen en Limburg)
  2. net, proper, rein, milieuvriendelijk (vooral in Nederland)
Vertalingen

Bijwoord

schoon

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord proper, gereinigd
    schoonwrijven: hij trachtte zijn jas schoon te wrijven.