alleen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- al·leen
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | alleen | allenen |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
alleen o
- (scheikunde) een organische verbinding met twee belendende dubbele bindingen
- Propadieen (H2C=C=CH2) is het eenvoudigste alleen.
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | alleen |
| verbogen | (alleen predicaat) |
Bijvoeglijk naamwoord
alleen
- zonder gezelschap
- Laat mij alleen met al mijn verdriet.
- zonder hulp of medewerking
- Ik heb helemaal alleen mijn veters gestrikt!
- zich beperkend tot iets
- Ik heb alleen de woonkamer gestofzuigd.
Synoniemen
- [1] afgezonderd
Vertalingen
1. zonder gezelschap
Bijwoord
alleen
- slechts - bijvoorbeeld "Hij is niet alleen intelligent, hij is ook knap."
- met dit voorbehoud - bijvoorbeeld "Deze maaltijd mag alleen in de magnetron bereid worden."
Synoniemen
- [1] slechts, enkel, uitsluitend
Vertalingen
1. slechts
Deens
Woordafbreking
- al·le·en
Zelfstandig naamwoord
alleen, g
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van alle