netjes
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- net·jes
Woordherkomst en -opbouw
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | netjes |
| verbogen | (alleen predicaat) |
Bijvoeglijk naamwoord
netjes dim. tant.
- tot netheid geneigd
- Zij is altijd al erg netjes geweest.
Bijwoord
netjes
- op een nette manier
- Hij heeft zijn kamer netjes opgeruimd.