kap
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kap
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kap | kappen |
| verkleinwoord | kapje | kapjes |
Zelfstandig naamwoord
- een bedekking van het hoofd
- Gelijke monniken gelijke kappen.
- de afdekking van een gebouw
- De kap van de woning was aan reparatie toe.
- het vellen of omhakken van bomen
- De houtkap in de tropen neemt zorgwekkende proporties aan.
- warmte isolatie voor het hoofd voor tijdens het duiken, onderdeel duikuitrusting
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| kappen |
kap
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kappen
- Ik kap.
- gebiedende wijs van kappen
- Kap!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kappen
- Kap je?
Indonesisch
Woordafbreking
- kap
Woordherkomst en -opbouw
- van het Nederlandse "kap"
Zelfstandig naamwoord
kap