kap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kap
enkelvoud meervoud
naamwoord kap kappen
verkleinwoord kapje kapjes

Zelfstandig naamwoord

kap v/m

  1. een bedekking van het hoofd
    Gelijke monniken gelijke kappen.
  2. de afdekking van een gebouw
    De kap van de woning was aan reparatie toe.
  3. het vellen of omhakken van bomen
    De houtkap in de tropen neemt zorgwekkende proporties aan.
  4. warmte isolatie voor het hoofd voor tijdens het duiken, onderdeel duikuitrusting

Werkwoord

vervoeging van
kappen

kap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kappen
    Ik kap.
  2. gebiedende wijs van kappen
    Kap!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kappen
    Kap je?


Indonesisch

Woordafbreking
  • kap
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

kap

  1. kap
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen