roof

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • roof

Werkwoord

vervoeging van
roven

roof

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roven
    Ik roof.
  2. gebiedende wijs van roven
    Roof!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roven
    Roof je?
enkelvoud meervoud
naamwoord roof roven
verkleinwoord roofje roofjes

Zelfstandig naamwoord

roof m

  1. (juridisch) het openlijk en gewelddadig wegnemen van hetgeen een ander toebehoort
  2. (medisch) de korst van een wond
Vertalingen


Engels

enkelvoud meervoud
roof roofs

Zelfstandig naamwoord

roof

  1. dak