roof
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- roof
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| roven |
roof
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roven
- Ik roof.
- gebiedende wijs van roven
- Roof!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roven
- Roof je?
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | roof | roven |
| verkleinwoord | roofje | roofjes |
Zelfstandig naamwoord
roof m
- (juridisch) het openlijk en gewelddadig wegnemen van hetgeen een ander toebehoort
- (medisch) de korst van een wond
Vertalingen
1. het openlijk en gewelddadig wegnemen van hetgeen een ander toebehoort
Engels
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| roof | roofs |
Zelfstandig naamwoord
roof