dak
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | dak | daken |
| verkleinwoord | dakje | dakjes |
Zelfstandig naamwoord
dak o
- (bouwkunde) het deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
- Door de hevige storm stortte het dak in.
Uitdrukkingen en gezegden
Uit z'n dak gaan.
- Zeer boos of zeer vrolijk worden.
Vertalingen
1. het deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Indonesisch
Bijwoord
dak