dak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dak daken
verkleinwoord dakje dakjes

Zelfstandig naamwoord

dak o

  1. (bouwkunde) het deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
    Door de hevige storm stortte het dak in.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Uit z'n dak gaan.

  • Zeer boos of zeer vrolijk worden.
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Meer informatie


Indonesisch

Bijwoord

dak

schrijfwijze voor ndak (nee, niet)