pak
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- pak
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | pak | pakken |
| verkleinwoord | pakje | pakjes |
pak o
- verpakt voorwerp.
- Er kwam met Kerst een groot pak met de post.
- een ruime hoeveelheid van iets.
- Er viel een groot pak sneeuw.
- een kledingcombinatie bestaande uit tenminste een jasje en een broek of rok.
- Hij kocht voor de gelegenheid een nieuw pak.
Vertalingen
- nader in te delen vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
| pakken |
pak