pak
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- pak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | pak | pakken |
| verkleinwoord | pakje | pakjes |
Zelfstandig naamwoord
pak o
- verpakt voorwerp
- Er kwam met Kerst een groot pak met de post.
- een ruime hoeveelheid van iets
- Er viel een groot pak sneeuw.
- een kledingcombinatie bestaande uit tenminste een jasje en een broek of rok
- Hij kocht voor de gelegenheid een nieuw pak.
- een groep wolven
- Een pak wolven had het voorzien op een kudde schapen.
Afgeleide begrippen
- [3]: trouwpak
Overerving en ontlening
Vertalingen
4. een groep wolven
- Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| pakken |
pak
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pakken
- Ik pak.
- gebiedende wijs van pakken
- Pak!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pakken
- Pak je?
Indonesisch
Woordafbreking
- pak
Woordherkomst en -opbouw
- [1] kort voor bapak
- [2] van het Nederlandse "pak"
- [3] van het Nederlandse "pacht"
- [4] van het Nederlandse "pact"
Zelfstandig naamwoord
pak
- (spreektaal) mijnheer, de heer, aanspreektitel voor een oudere man
- pakje, pakket, doos
- pacht
- niet-officiële schrijfwijze voor pakta "pact, verdrag"
Afgeleide begrippen
- [1] pak ogah
- [2] berpak-pak, mempak, mengepak, mengepaki, pak-pakan, pengepak, pengepakan
- [3] mempak, mengepak, mempakkan, mengepakkan, pempakan, pengepakan