pak

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • pak

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord pak pakken
verkleinwoord pakje pakjes

pak o

  1. verpakt voorwerp.
    Er kwam met Kerst een groot pak met de post.
  2. een ruime hoeveelheid van iets.
    Er viel een groot pak sneeuw.
  3. een kledingcombinatie bestaande uit tenminste een jasje en een broek of rok.
    Hij kocht voor de gelegenheid een nieuw pak.
Vertalingen
nader in te delen vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
pakken

pak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pakken
    Ik pak.
  2. gebiedende wijs van pakken
    Pak!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pakken
    Pak je?
Teruggeplaatst van "http://nl.wiktionary.org/wiki/pak"
Persoonlijke instellingen