hard

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hard
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen hard harder hardst
verbogen harde hardere hardste
partitief hards harders -

Bijvoeglijk naamwoord

hard

  1. stevig, een uitwendige kracht onverzettelijk weerstaand
    Diamant is de hardste stof bekend aan de wetenschap.
  2. psychologisch tegen veel bestand, voor niets terugdeinzend
    Dat is een harde kerel.
  3. streng
    Een hard oordeel.
  4. met grote snelheid
    Hij kan heel hard lopen.
Synoniemen
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: hard als steen
  • [2]: ergens hard aankomen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
harden

hard

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van harden
    Ik hard.
  2. gebiedende wijs van harden
    Hard!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van harden
    Hard je?


Engels

Zelfstandig naamwoord

hard

  1. paal


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • hard
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord harðr.
Naar frequentie 1936
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud hard hardere hardest
o enkelvoud hardt
meervoud harde
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
harde hardere hardeste

Bijvoeglijk naamwoord

hard

  1. hard
  2. flink, fors
  3. streng, bar
Typische woordcombinaties
  • [1]: hardt metall
hardmetaal
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: hard som stein
keihard


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • hard
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord harðr.
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud hard hardare hardast
o enkelvoud hardt
meervoud harde
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
harde hardare hardaste

Bijvoeglijk naamwoord

hard

  1. hard
  2. flink, fors
  3. streng, bar
Typische woordcombinaties
  • [1]: hardt metall
hardmetaal
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: hard som stein
keihard