traag

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • traag
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: traech, trege
Oudnederlands: traech, traghe
  • Verwant in Germaans:
Duits: träge, (Oudhoogduits: tragi), Fries: traach
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen traag trager traagst
verbogen trage tragere traagste
partitief traags tragers -

Bijvoeglijk naamwoord

traag

  1. met geringe snelheid
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen


Afrikaans

stellend attributief vergrotend overtreffend
traag trae traer traagste

Bijvoeglijk naamwoord

traag

  1. traag
    «Trae kredietgroei vra om laer rente.»
    Trage kredietgroei vraagt om een lagere rente.