paal

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paal

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord paal palen
verkleinwoord paaltje paaltjes

paal m

  1. een langwerpig stuk materiaal dat in de grond staat.
    Dat gebouw is volledig op palen gebouwd.
  2. (informeel) een stijve penis.
    Uit onderzoek is gebleken dat de meeste mannen tevreden zijn met de grootte van hun paal.
  3. een doelpaal.
    Hij schoot de bal tegen de paal aan, tot teleurstelling van het publiek.
  4. (genealogie) een loodrechte band midden over een wapenschild.
    Dat wapenschild is opgebouwd uit verschillende kleuren en een paal.
Uitdrukkingen en gezegden

Voor paal staan.

  • Zich belachelijk maken.

Als puntje bij paaltje komt.

  • Als het erop aankomt.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen