paal
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- paal
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | paal | palen |
| verkleinwoord | paaltje | paaltjes |
Zelfstandig naamwoord
paal m
- een langwerpig stuk materiaal dat in de grond staat
- Dat gebouw is volledig op palen gebouwd.
- (informeel) een stijve penis
- Uit onderzoek is gebleken dat de meeste mannen tevreden zijn met de grootte van hun paal.
- een doelpaal
- Hij schoot de bal tegen de paal aan, tot teleurstelling van het publiek.
- (genealogie) een loodrechte band midden over een wapenschild
- Dat wapenschild is opgebouwd uit verschillende kleuren en een paal.
Uitdrukkingen en gezegden
Voor paal staan.
- Zich belachelijk maken.
Als puntje bij paaltje komt.
- Als het erop aankomt.
Vertalingen
1. een langwerpig stuk materiaal dat in de grond staat
2. (informeel) een stijve penis