hal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hal
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Afkomstig uit het Middelnederlands.
  • [B] Afkomstig uit het Noordnederlands.
enkelvoud meervoud
naamwoord hal hallen
verkleinwoord halletje halletjes

Zelfstandig naamwoord

[A] hal v

  1. ruimte achter de voordeur
  2. een entreeruimte in een gebouw of huis, een ontvangstruimte
  3. een grote overdekte ruimte gericht op het uitvoeren van activiteiten
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord hal -
verkleinwoord halletje -

Zelfstandig naamwoord

[B] hal o

  1. hardheid van de grond tengevolge van de vorst, plek bevroren grond, hardbevroren aardkorst
Vertalingen


Deens

Woordafbreking
  • hal

Werkwoord

hal

  1. gebiedende wijs van hale


Hongaars

Uitspraak
  • IPA: /ˈhɒl/

Zelfstandig naamwoord

hal

  1. (dierkunde) vis


Noors

Woordafbreking
  • hal
Naar frequentie 3439

Werkwoord

hal

  1. gebiedende wijs van hale


Nynorsk

Woordafbreking
  • hal

Werkwoord

hal

  1. onbepaalde wijs, tweede vorm naast hale, zie aldaar

Werkwoord

hal

  1. gebiedende wijs van hala
Schrijfwijzen

hal

  1. gebiedende wijs van hale
Schrijfwijzen


Turks

Woordafbreking
  • hal
enkelvoud meervoud
nominatief   hal     haller  
genitief   halin     hallerin  
datief   hale     hallere  
accusatief   hali     halleri  
locatief   halde     hallerde  
ablatief   halden     hallerden  

Zelfstandig naamwoord

hal

  1. toestand, situatie, omstandigheid, staat