zaal
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zaal
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zaal | zalen |
| verkleinwoord | zaaltje | zaaltjes |
Zelfstandig naamwoord
- een grote ruimte.
- De zaal werd geopend voor het publiek.
- het publiek in een grote ruimte.
- De band kreeg de zaal helemaal plat.