overloop
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- over·loop
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | overloop | overlopen |
| verkleinwoord | overloopje | overloopjes |
Zelfstandig naamwoord
overloop m
- gang op een bovenverdieping
- overlappend
- overgaan van een toestand naar een andere
- migratie van stad naar het platteland
- (statistiek) het verschil tussen het niveau van een variabele aan het eind van het jaar en het gemiddelde jaarniveau van die variabele
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| overlopen |
overloop
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlopen
- Ik overloop.
- gebiedende wijs van overlopen
- Overloop!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlopen
- Overloop je?
Verwante begrippen
- [1] loop over
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| overlopen |
overloop
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlopen
- ... dat ik overloop.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.