gemeente
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·meen·te
Woordherkomst en -opbouw
- afgeleid van gemeen (gemeenschappelijk) met het achtervoegsel -te [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gemeente | gemeentes gemeenten |
| verkleinwoord | gemeentetje | gemeentetjes |
Zelfstandig naamwoord
gemeente v
- bestuurlijke eenheid in een staat, onder bestuur van een raad, een burgemeester en wethouders of schepenen
- In zijn eigen gemeente is de burgemeester uitzonderlijk populair.
- de gezamenlijke gelovigen van een bepaald kerkgenootschap of in een bepaalde kerk bijeen
- De pastoor deed zijn uiterste best om aan de behoeften van zijn gemeente te voldoen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
- gemeenteambtenaar, gemeentebestuur, gemeenteblad, gemeentefonds, gemeentehuis, gemeentelijk, gemeenteraad, gemeenteraadsverkiezing, gemeenterecht, gemeenteschool, gemeentewerker
Verwante begrippen
Vertalingen
1. bestuurlijke eenheid
2. gezamenlijke gelovigen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Citefout: De tag <ref> bestaat, maar de tag <references/> is niet aangetroffen