gelovige
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /χə.ˈlo.və.χə/
- (Vlaanderen, Brabant): /ɣə.ˈlo.və.ɣə/
- (Limburg): /ɣə.ˈlo.vi.ɣə/
Woordafbreking
- ge·lo·vi·ge
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gelovige | gelovigen |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
- iemand die een bepaald geloof aanhangt
- De gelovigen stonden voor de kerk te wachten op de dienst.
- De gelovigen stonden te wachten op de handlezer.
Verwante begrippen
Vertalingen
1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
Bijvoeglijk naamwoord
gelovige
- verbogen vorm van de stellende trap van gelovig