gemeen

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • ge·meen

Bijvoeglijk naamwoord

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gemeen gemener gemeenst
verbogen gemene gemenere gemeenste

gemeen

  1. beneden de gordel, buiten alle regels.
    Hij gaf hem een gemene trap.
  2. gemeenschappelijk
    De grootste gemene deler.
    het kleinste gemene veelvoud

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord gemeen
verkleinwoord

gemeen o

  1. het gemeenschappelijke.
    Die twee soort hebben in het gemeen dat ze beide zoogdieren zijn.
Persoonlijke instellingen