gemeen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- ge·meen
Bijvoeglijk naamwoord
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | gemeen | gemener | gemeenst |
| verbogen | gemene | gemenere | gemeenste |
gemeen
- beneden de gordel, buiten alle regels.
- Hij gaf hem een gemene trap.
- gemeenschappelijk
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gemeen | |
| verkleinwoord |
gemeen o
- het gemeenschappelijke.
- Die twee soort hebben in het gemeen dat ze beide zoogdieren zijn.