gemeen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·meen

Bijvoeglijk naamwoord

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gemeen gemener gemeenst
verbogen gemene gemenere gemeenste

gemeen

  1. beneden de gordel, buiten alle regels
    Hij gaf hem een gemene trap.
  2. gemeenschappelijk
    de grootste gemene deler
    het kleinste gemene veelvoud
    de grootste gemene deler
  3. (verouderd) gewoonlijk
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: Een ezel stoot zich in 't gemeen, geen tweemaal aan dezelfde steen
Iemand zal toch wel zo snugger zijn om een fout niet nog eens te maken?
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord gemeen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gemeen o

  1. het gemeenschappelijke
    Die twee soort hebben in het gemeen dat ze beide zoogdieren zijn.