gemeenschappelijk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /χəmenˈsχɑpələk/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ɣəmenˈsxɑpələk/
Woordafbreking
- ge·meen·schap·pe·lijk
Woordherkomst en -opbouw
- Afleiding van gemeenschap met het achtervoegsel -lijk.
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | gemeenschappelijk | gemeenschappelijker | gemeenschappelijkst |
| verbogen | gemeenschappelijke | gemeenschappelijkere | gemeenschappelijkste |
| partitief | gemeenschappelijks | gemeenschappelijkers | - |
Bijvoeglijk naamwoord
gemeenschappelijk
- waar alle leden van een gemeenschap gebruik van kunnen maken
- Dit zijn de gemeenschappelijke douches.
- waar alle leden van een gemeenschap aan meedoen
- Dit is een gemeenschappelijk project.
- gerelateerd aan meer dan een entiteit
- Dat is een gemeenschappelijke vriend van hun.
- Dat is de gemeenschappelijke grens van Duitsland en Frankrijk.