raad

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • raad
enkelvoud meervoud
naamwoord raad raden
verkleinwoord raadje raadjes

Zelfstandig naamwoord

raad m

  1. aanbeveling hoe om te gaan met een probleem
    Hij gaf hem de raad er niet op in te gaan.
  2. een lichaam dat bestaat uit leden die raadgevende of beslissende bevoegdheden bezitten
    De raad besloot gezien de nieuwe gegevens het genomen besluit weer in te trekken.
  3. zorg, voorzorg zoals in huisraad en voorraad
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
Anagrammen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Antoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
raden

raad

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van raden
    Ik raad.
  2. gebiedende wijs van raden
    Raad!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van raden
    Raad je?


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /raːd/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

raad o

  1. rad
Verbuiging