kerk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kerk
Woordherkomst en -opbouw
  • Van Grieks kuriakos (van de Heer), van Grieks kurios (heer).
enkelvoud meervoud
naamwoord kerk kerken
verkleinwoord kerkje kerkjes

Zelfstandig naamwoord

kerk v, m

  1. (religie) openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
  2. (religie) religieuze stroming
  3. (religie) georganiseerde groep die bepaalde religieuze, m.n. christelijke, standpunten aanhangt (bijv. Katholieke Kerk, Gereformeerde Kerk etc.)
  4. (religie) (in engere zin) gemeenschap van alle christenen
Synoniemen
Opmerkingen
  • In bet. 3 en 4 wordt kerk volgens de regels met een hoofdletter geschreven, in bet, 2 niet omdat het dan de aanduiding voor een stroming betreft
  • In bet. 2, 3 en 4 wordt het woord meestal als een femininum gebruikt, zeker in de schrijftaal. In bet. 1 zijn zowel mannelijke als vrouwelijke pronomina mogelijk.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • De kogel is door de kerk.
De beslissing is genomen.
  • Jij bent zeker in de kerk geboren?
wordt gezegd als iemand een deur open laat staan
  • Vloeken in de kerk
Iets ondenkbaars, iets dat taboe is doen.
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

kerk

  1. (religie) kerk